|

Deze tekst is overgenomen
van: R/C Flight Unlimited
(http://rcplanet.com.rcfu),
vertaald door R. Dee en waar nodig aangepast aan de specifieke
omstandigheden binnen de Luchtvaartclub Lenticularis te Lelystad
door R. Hazelzet.
Het vliegen van radiobestuurde modellen is een van de
meest opwindende hobbies die er bestaan. Het vereist een groot aantal
interesses, disciplines en vaardigheden zoals aerodynamica, elektronika,
werktuigbouwkunde, technisch tekenen en ontwerpen, materiaalkennis en
houtbewerking. En dat alles voor een simpel vliegtuig. Het is niet nodig
om al deze vaardigheden volledig onder de knie te hebben voordat men
begint, waarschijnlijk komt een beginner dan nooit aan vliegen toe.
Bovendien komen er steeds nieuwe materialen en technieken bij.
Het is om haast gefrustreerd van te worden, zo omvangrijk is dit alles.
De beste manier om niet gefrustreerd te raken en de bomen in het bos te
blijven zien, is om contact te zoeken met andere modelbouwers teneinde
de grondbeginselen te leren. Dit betekent dan in het algemeen dat men
een modelvliegveld in de buurt zoekt en bezoekt en kennis maakt met de
daar aanwezige en hopelijk meer ervaren modelvliegers en door eventueel
lid te worden van die vereniging.
Deze modelbouwers zijn een uitstekende bron van kennis en ervaring,
inclusief de sterke verhalen over 'hoe hard en diep die kist wel niet de
grond inging'.
Zij zullen echter vrijwel allemaal en altijd bereid zijn een nieuweling
op weg te helpen en hem of haar de eerste beginselen van het bouwen en
vliegen bij te brengen.
De aankomend modelvlieger moet wel beseffen dat een radiobestuurd
modelvliegtuig geen stukje speelgoed is. Het is een echt vliegtuig dat
vliegt en werkt volgens dezelfde principes als een normaal vliegtuig met
als enig verschil de afmeting en het gewicht. Een gemiddeld (beginners)
model zal zo'n 70 km/uur vliegen en een gewicht van 1,5 á 2 kilo
hebben. De kracht waarmee een dergelijk toestel een object raakt kan
vernietigend zijn, vooral als het om een persoon gaat. Met deze modellen
moet goed en veilig omgegaan worden, 'even' op het grasveldje naast de
deur vliegen is beslist af te raden.
Al deze vaardigheden nodig om tot het vliegen te komen, kunnen in de
praktijk alleen van ervaren modelvliegers geleerd worden, zelf
experimenteren leidt hier al gauw tot teleurstelling.
Voordat de aankomend modelvlieger ook maar iets gaat kopen dat met deze
hobbie te maken heeft moet hij zich afvragen of "dit een hobbie is
om eens te proberen of is het een hobbie waar ik verwacht meerdere jaren
mee bezig te zijn."
Als het de bedoeling is om dit meerdere jaren te gaan doen kan wellicht
een wat duurdere zender met meer mogelijkheden en wellicht een wat
betere met kogellagers uitgevoerde motor aangeschaft worden. Anders is
het misschien beter om gebruikte apparatuur aan te schaffen, via een
beurs, de speciaalzaak waar vaak ingeruilde apparatuur te vinden is of
via een vereniging. Dat kan heel veel geld schelen. Bedenk dat indien
alles nieuw wordt aangeschaft voor een zogenaamd trainer
model (vliegtuig, zender, motor, besturing en wat verder nog nodig is)
men ca. € 500,00 moet uitgeven voordat er ook maar een meter gevlogen
kan worden.
Het hierna volgende deel heeft betrekking op een beginner en een
'trainer' modelvliegtuig. De informatie die allemaal beschikbaar is
m.b.t. radiobestuurd modelvliegen is ongelooflijk veel en uitgebreid,
zelfs voor de meest doorgewinterde vlieger. De benodigde kennis en
vaardigheden kunnen langzaamaan opgebouwd worden, en vooral de
vaardigheden zijn een kwestie van veel doen.
Principes van het vliegen
Het is nodig om te weten waarom een vliegtuig vliegt, ook voor een
beginner.
Er zijn veel boeken die de natuurkundige achtergronden van het vliegen
toelichten. Er zijn veel, soms tegenstrijdige, argumenten die aangeven
waarom vliegtuigen vliegen, maar het geaccepteerde principe is dat een
opwaartse kracht wordt opgewekt als gevolg van het feit dat de
luchtdruk onder de vleugel hoger is dan de luchtdruk boven de vleugel.
|
|
|
 |
|
Bovenstaande
figuur geeft de basis termen die op een vleugel betrekking hebben. Er
is bewust voor gekozen om de engelse namen niet te vertalen in de
figuur. In alle beschikbare literatuur vindt men meestal alleen de
engelse namen, de betekenis is als volgt:
Airfoil - de dwarsdoorsnede van de vleugel
Angle of Attack - invalshoek, de hoek tussen de 'Chord line' en de relatieve vluchtrichting
Chord Line - een denkbeeldige lijn van de meest voorste rand naar de meest achterste rand van de vleugel
Direction of Flight - de relatieve richting van de vleugel t.o.v. de omringende stilstaande lucht
Leading Edge - de voorste rand van de vleugel
Trailing Edge - de achterste rand van de vleugel.
Er zijn vier (4) basiskrachten waaraan een vliegtuig in vlucht onderhevig is: thrust, lift, drag, en weight.
'Trust' is de kracht uitgeoefend door de motor en de propellor en
bedoeld om het vliegtuig voorwaarts te bewegen, 'drag' is de
luchtweerstand die het vliegtuig ondervindt, 'weight' is het normale
gewicht als gevolg van de zwaartekracht en 'lift' tenslotte is de
opwaartse kracht op het toestel.
Om een constante snelheid te kunnen houden moeten 'trust' en 'drag'
gelijk zijn, om een constante hoogte te kunnen houden moeten 'lift' en
'weight' gelijk zijn.
|
 |
|
De 'lift' neemt toe als de snelheid van
de lucht die over de vleugel gaat toeneemt, of als de zogenaamde
'angle of attack' groter wordt, zolang als de luchtstroom maar
vloeiend over de vleugel stroomt en er geen wervelingen ontstaan.
Het echte vliegen wordt pas bereikt als de 'lift' of opwaartse kracht
gelijk is aan de 'weight' ofwel het gewicht.
Een vliegtuig kan in principe om drie (3) assen draaien:
- de 'yaw' (koers) of verticale as die geregeld wordt met het rudder of
richtingsroer
- de 'pitch' (helling) of zijwaartse as die geregeld wordt met de elevator of hoogteroer
- de 'roll' (rol) of lengte as die geregeld wordt met de ailerons of rolroeren.
Het toestel kan om elk van deze 3 assen afzonderlijk, of om een
combinatie van deze assen draaien, afhankelijk van de stuurvlakken die
aangestuurd worden en de richting van bewegen van deze stuurvlakken.
|
 |
|
Als de rudder (richtingsroer) naar rechts
wordt bewogen, zal het vliegtuig naar rechts draaien om de 'yaw' as en
omgekeerd. Als de elevator (hoogteroer) omhoog bewogen wordt zal het
vliegtuig de neus naar boven richten. De ailerons (rolroeren) bewegen
tegengesteld, indien de linker aileron naar boven gaat dan gaat de
rechter aileron naar beneden, het vliegtuig zal dan naar links rollen en
omgekeerd. Bij veel beginnerstoestellen ontbreken de ailerons. Het
toestel zal dan niet mooi vlak blijven in de bochten en wordt dan alleen
met de rudder en elevator
gestuurd.
Het beginnerstoestel
Vaak gebeurt het dat iemand die interesse in modelvliegen heeft het
plaatselijke
modelvliegveld gaat bezoeken, gewoon eens om te kijken. Hij ziet dan
allerlei soorten vliegtuigen varierend van beginnersmodellen (trainers)
tot schaal-modellen. Het ziet er allemaal even mooi uit, en hij denkt
beslist "Zo'n Mustang wil ik ook hebben". Vervolgens zoekt hij
dan een winkel om dit model te gaan kopen en aan zijn hobbie te
beginnen.
Dat is dus de grootste vergissing die men kan maken.
Er zijn heel veel uren oefenen en praktijk voor nodig voordat men een
dergelijk model goed en veilig kan vliegen. Een beginner moet beseffen
dat een dergelijk model in eerste instantie voor hem te hoog gegrepen
zal zijn. Hij zal zijn hobbie met een eenvoudige trainer moeten beginnen
en zich langzaam verder ont-wikkelen en naar het uiteindelijke doel, de
snelle Mustang toewerken.
Een trainer of beginnersmodel is een type toestel dat voornamelijk
ontwikkeld is om stabiel mee te kunnen vliegen. Dit betekent dat dit
type toestel in wezen het vermogen in zich heeft om zelf-corrigerend te
kunnen vliegen, en ook bij lage snelheden nog goed en stabiel vliegt
zodat het toestel ook gemakkelijk te landen is.
|
 |
Het bovenstaande figuur laat de voornaamste
onderdelen van een beginnersmodel zien met de engelse namen voor de
diverse delen.
Aileron - het bewegende deel van de vleugel dat voor het rollen
om de lengte-as zorgt.
Cowling Kap - het deel van de romp dat om de motor heen zit.
Engine - de motor, meestal een 2-takt brandstof motor die voor de
voortstuwing zorgt.
Elevator - het hoogteroer, het beweegbare deel van het
horizontale staartvlak dat de beweging om de pitch of zijwaartse as
controleert.
Fin - het kielvlak, het verticale deel van de gehele staart dat
voor stabiliteit om de 'yaw' of verticale as zorgt.
Fuselage - de romp van het toestel.
Landing Gear - het landingsgestel, dat wil zeggen het onderstel
met stangen, dwarsstangen en wielen. Propeller
- de propellor of prop, de combinatie van bladen die de voorwaartse
kracht opwekt.
Rudder - het richtingroer dat voor de beweging om de 'yaw' of
verticale as zorgt.
Spinner - een afdekdop over de propellermoer.
Stabilizer - het horizontale, vaste deel van het staartvlak dat
voor stabiliteit om de pitch of zijwaartse as zorgt.
Wing - de vleugel, de hortizontale vlakken die voor de lift ofwel
de opwaartse krachten zorgen.
Er zijn een aantal voorwaarden waar een
toestel aan moet voldoen om voor een beginner geschikt te zijn:
- Een bovenliggende vleugel of
bovendekker
Een toestel met een vleugel die op de romp geplaatst is, is
veel stabieler als gevolg van het slingereffect. Aangezien het
gewicht van het model onder de vleugel zit en het toestel a.h.w. aan
de vleugel hangt zullen op het toestel uitgeoefende krachten
'uitslingeren' en een grotere stabilitiet tot gevolg hebben. - Vlakke vleugel onderkant
Een vleugel met een vrijwel vlakke onderkant heeft de meer
vriendelijke vliegeigenschappen die vereist zijn voor een
beginnersmodel. - Dihedral
Dihedral of tipverdraaiing betekent dat de punt of tip van een
vleugel een andere invalshoek, meestal kleiner, heeft dan het
middendeel van de vleugel. Het doel hiervan is het trachten het
overtrekken van de vleugeltip, waardoor deze plotseling wegvalt, te
voorkomen. - High Aspect Ratio
De vleugellengte of spanwijdte moet minstens 5 ½ maal de breedte
van de vleugel zijn. Dit zal de snelheid waarmee het toestel op
stuurbevelen reageert vertragen zodat de leerling meer tijd heeft om
te reageren. - Constant Chord
Een constante koorde, de breedte van de vleugel op de top moet
gelijk zijn aan de breedte van de vleugel bij de romp. Dit verdeelt
het gewicht van het toestel gelijkmatig over de vleugels en geeft
een rustiger vlieggedrag. - Low Wing Loading
Lage vleugelbelasting. Het gewicht van het model gedeeld door de
vleugeloppervlakte geeft de vleugelbelasting. Een laag getal hier
betekent dat het model bij een lagere voorwaartse snelheid
toch gelijkmatig kan dalen om een lagere landingssnelheid mogelijk
te maken. - Bescheiden afmetingen
De meeste beginnersmodellen zijn voor motoren varierend van .15 ci
(2,4 cc) tot .60 ci (9,6 cc). De kleinere modellen zijn meer
gevoelig voor de invloeden van de wind en meestal is de
vleugelbelasting ook hoger als gevolg van het gewicht van de
radio-ontvanger en de apparatuur nodig voor de besturing (servo's).
De grotere modellen zijn gemakkelijker te vliegen en te zien maar
zijn daarentegen weer moeilijker te vervoeren. De meeste beginners
toestellen zijn voor motoren tot .40 ci ofwel 6.5 cc. Dit wordt als
een optimale maat beschouwd hoewel er ook meerdere typen trainers
zijn die heel goed vliegen met een .25 ci of 4,0 cc motor. - Stevig
Stevige constructie. Een beginnersmodel moet tegen een foutje van de
beginnende vlieger kunnen, zeker waar het harde landingen betreft.
Het toestel moet bestand zijn tegen de lichtere vormen van
neerstorten en gemakkelijk te repareren zijn.
Een beginnerstoestel dat aan deze
voorwaarden voldoet zal voor de beginnend model-vlieger uitstekend
voldoen zonder de frustraties die zouden ontstaan bij een minder
geschikt model.
Met de juiste instructie zal een beginner met een dergelijk toestel snel
aan zijn eerste solovlucht toe zijn en kan hij nog vele jaren plezier
hebben van het model.
Er zijn diverse soorten beginnerstoestellen op de markt die aan deze
eisen voldoen of er zelfs ver bovenuit gaan. Dit kan varieren van de
meest principiële bouwdoos tot aan de mooiste ARF (Almost Ready to Fly)
modellen, compleet met motor, zender en ontvan-ger. Er zijn veel zaken
waar men aan moet denken bij de aanschaf van een beginners-model, de
twee voornaamste hier zijn toch weer tijd en geld.
Een beginnerstoestel gebouwd van een bouwdoos heeft het voordeel over
het algemeen minder duur te zijn. Het geeft de beginner het plezier van
het bouwen, de keuze van een eigen kleurschema en uiterlijk en een goede
kennis van de constructie van het toestel, onontbeerlijk voor eventuele
latere reparaties. Het grootste nadeel is de tijd die nodig is om het
model te bouwen terwijl men eigenlijk liever direct gaat vliegen.
Een ander nadeel is soms de emotionele binding die de modelbouwer met
zijn toestel krijgt, nadat hij vele uren aan het bouwen van zijn creatie
besteed heeft, en er niet meer mee durft te gaan vliegen, bang als hij
is voor eventueel neerstorten.
Het grote voordeel van de ARF modellen is dat deze in een paar uur
afgebouwd kunnen worden waarna de beginner met zijn vlieglessen kan
beginnen. Het nadeel is de hogere kosten, de onbekende soms zwakke
constructie en het opgedrongen kleurenschema.
De meeste ARF modellen zullen het net zo goed of bijna net zo goed doen
als modellen gebouwd uit een bouwdoos. Iedere beginner die een ARF model
koopt doet er verstandig aan dit te laten beoordelen en keuren door een
ervaren modelvlieger, die kan aangeven waar de zwakke punten in de
constructie zitten en hoe deze te verbeteren zijn.
Er zijn diverse modellen die als beginnersmodel zeer geschikt zijn.
Iedere modelvlieger en modelbouwspeciaalzaak zal daar een eigen mening
over hebben. Binnen Lenticularis geldt dat de Charter (een bouwdoos van
Robbe) met een 4 cc motor een uitstekend, sterk aanbevolen en
waar-voor-z'n-geld beginnersmodel is, maar er zijn nog vele andere goede
beginnersmodellen.
De radiobesturing
Er zijn veel typen radiobesturing waar een beginner uit kan kiezen.
Bekende namen op deze markt zijn o.a. Futaba, Graupner en Multiplex.
Allen bieden zij een hele range van modellen aan van eenvoudige
2-kanaals systemen tot systemen met een 8 kanaals computergestuurde
zender. De prijsklassen lopen hier dan ook uiteen van ca € 100,00
tot € 1400,00 waar dan nog vele honderden euro's aan
accessoires voor deze zenders bij kunnen komen. De grens is hier gelijk
aan de bodem van de portemonnee.
Een beginner doet er verstandig aan op de vereniging waar hij lid van is
of met zijn instructeur te overleggen. Indien van een leraar-leerling
systeem (meer hier over later) gebruik gemaakt wordt is dat een absolute
noodzaak.
Een typische radiobesturing bestaat uit vier (4) basis onderdelen:
Transmitter de zender, het systeem dat de bevelen gegeven met de
stuurknuppels (Gimbals) omzet in pulsen, deze codeert en naar het
toestel stuurt.
Receiver de ontvanger, het systeeem dat de ontvangen
pulsen decodeert en naar de besturing stuurt
Servo's Stuuurmotoren die de ontvangen pulsen in een bewe-ging omzetten
om een stuurvlak te kunnen aansturen.
Batteries Oplaadbare batterijen of Nikkel-Cadmium accu's die de
voedingsspanning voor ontvanger en servo's verzorgt.
De zender moet aan bepaalde eisen voldoen en goedgekeurd zijn voor
gebruik in Nederland.
Het is niet zonder meer mogelijk om bijv tijdens de vakantie een
zenderin het buitenland te kopen en hier te gebruiken.
Voor modelvliegtuigen worden in Nederland alleen maar FM systemen
gebruikt op de 30, 35 en 40 MHZ band. FM (Frequentie Modulatie) is
minder gevoelig voor storingen vergeleken met AM systemen.
Met bepaalde zenders kunnen er nog 2 systemen van coderen van de
stuurpulsen gebruikt worden, genaamd PPM en PCM. Zij hebben ieder hun
eigen voordelen, de gebruikelijke methode is PPM. Vrijwel alle zenders
voor beginnende modelvliegers werken volgens dit principe.
Ongeacht het fabrikaat, aantal kanalen of prijs hebben alle zenders
dezelfde basis onderdelen. Sommigen hebben extra schakelaars,
schuifregelaars en displays of afleesschermpjes afhankelijk van de
mogelijkheden die er opzitten. De basis onderdelen blijven echter
gelijk. |
 |
|
Antenna - antenne, een
telescopische buis die de signalen de lucht in stuurt.
Batteries - de (interne) oplaadbare batterij die voor de
stroomvoorziening zorgt.
Battery Meter - een voltmeter die de ladingstoestand van de
batterij aangeeft.
Crystal - het onderdeel dat voor de juiste frequentie of kanaal
zorgt.
Gimbal (or Stick) - de stuurknuppel die de bewegingen van de
vlieger omzet in stuursignalen.
Handle - handvat om de zender aan te dragen. Is niet altijd
aanwezig.
Power Switch - aan/uit schakelaar van de zender.
Trainer Switch - niet altijd standaard aanwezig. Schakelaar voor
het leraar/leerling systeem.
Trim Lever - fijnafstelling van de besturing tijdens de vlucht.
Er
zijn een aantal manieren om de besturingsfuncties van het model aan de
sticks te koppelen (stickbezetting). De hieronder gegeven bezetting is
de bezetting zoals gebruikelijk voor leerlingen bij Lenticularis,
andere verenigingen gebruiken wellicht een andere bezetting.
|
 |
 |
 |
|
De beginnende modelvlieger zal bij
Lenticularis kunnen kiezen tussen het leren vliegen met 3 kanalen (rudder,
elevator en throttle), of met 4 (rudder, elevator, throttle en ailerons).
Lenticularis is voor het beginnen met 4 kanalen. Een 4-kanaals zender zal
dus voldoende zijn.
Er is altijd al een discussie geweest over met hoeveel kanalen een
beginner zou moeten starten. Sommigen zeggen dat er slechts met 3 kanalen
gevlogen moet worden n.l. rudder, elevator en throttle (richtingroer,
hoogteroer en gas). Het argument hier is dat de beginner dan alleen maar
de rudder nodig heeft om bochten te maken en zich geen zorgen hoeft te
maken over de ailerons. Anderen menen echter dat er 4 kanalen moeten
worden gebruikt, n.l. rudder, ailerons, elevator en throttle.
Het argument hier is dat de leerling anders nog door een 2e leerfase moet
gaan om te leren vliegen met ailerons. Een vier (4) kanaals systeem geeft
een betere controle over het model tijdens start en landing met minder
gunstige omstandigheden zoals zijwind. Indien een beginner verkiest om met
drie (3) kanalen te beginnen, dan kunnen in principe de ailerons van het
toestel indien aanwezig (de Charter van Robbe heeft ze niet) uitgeschakeld
en vastgezet worden, hoewel dit de vliegeigenschappen van het model soms
wel beinvloedt.
Een beginner zou kunnen overwegen om een meer geavanceerd zes of acht
kanaals zender te kopen om mogelijkheden die niet in de standaard
4-kanaals systemen zitten zoals 'dual-rate' te kunnen gebruiken. Hiermee
kan de gevoeligheid van de sticks verminderd worden (kleinere uitslagen)
waarbij de kans op overbesturing verminderd wordt. Als de beginner zeker
weet dat zijn uiteindelijke doel zoals bijv. helicopter vliegen de
aanschaf van een meer gecompliceerde en daardoor duurdere zender
rechtvaardigt is dit wellicht een goede investering. Overleg met collega
vliegers en de instructeur is hier heel belangrijk.
|
|
|
|
|
|
|
 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|